Het ontwaken uit de betovering van dader en slachtoffer
Er was eens een koning en een koningin die na lang verlangen een dochter kregen. Bij haar doopfeest nodigden ze twaalf wijze feeën uit, maar ze vergaten er één — de dertiende fee. Wanneer zij onverwacht verschijnt, woedend om de uitsluiting, spreekt ze een vloek uit: het kind zal zich op haar vijftiende prikken aan een spinnewiel en sterven. De overige feeën kunnen de vloek slechts verzachten, niet opheffen. Daarmee begint een eeuwenoud verhaal over uitsluiting, schuld en herstel — het veld van dader en slachtoffer.
De uitgeslotene
In systemische zin is de dertiende fee de uitgeslotene: degene die niet gezien, niet geëerd werd. In elke familie en elk systeem bestaat zo’n figuur — iemand die vergeten, veroordeeld of weggedrukt werd. Wat wordt buitengesloten, keert altijd terug. In dit sprookje verschijnt het als een vloek, een daad van wraak. De koninklijke ouders vertegenwoordigen de orde die de pijn niet wil zien. Ze geloven dat ze door alle spinnewielen te verbannen het kwaad kunnen afwenden, maar juist daardoor wordt het onbewuste groter. Het spinnewiel symboliseert het lot: de spiraal van herhaling, de draaiing van de tijd waarin oude patronen telkens opnieuw vorm krijgen.
Het slachtoffer dat slaapt
Doornroosje wordt slachtoffer van een vloek die ouder is dan zijzelf. Ze prikt zich, valt in een diepe slaap en het hele kasteel met haar. Dit is de bevriezing van het systeem: de levensstroom stokt, de pijn is te groot om te dragen. In veel families gebeurt iets soortgelijks. Een geheim, een oorlog, een misbruikervaring — en ineens lijkt alles stil te staan. Gevoelens worden ingekapseld, soms generaties lang. De doornhaag die om het kasteel groeit, is de muur van bescherming en vergetelheid. Wat te pijnlijk is om aan te raken, wordt bedekt door zwijgen. Maar niets verdwijnt. Onder de stilte wacht het leven op erkenning.
De dader in het licht
Eeuwen later nadert de prins. Hij is niet de redder, maar het bewustzijn dat eindelijk durft te kijken. De doornhaag wijkt vanzelf — wat gezien mag worden, verliest zijn dreiging. De kus waarmee hij Doornroosje wekt, is geen romantisch gebaar, maar het moment waarop dader en slachtoffer elkaar weer in de ogen kijken. Hij vertegenwoordigt de daderpool: niet de man die kwaad doet, maar het principe van daadkracht en handelen. Zij vertegenwoordigt het slachtofferprincipe: het vermogen om te voelen, te ontvangen, te lijden. Wanneer deze twee polen elkaar werkelijk ontmoeten, ontwaakt het bewustzijn.
De helende beweging
In familieopstellingen zien we dezelfde beweging. Wat eerst vastzat in oordeel of veroordeling, komt in beweging zodra het erkend mag worden. De buitengeslotene krijgt zijn plek, het slachtoffer mag rusten, en de liefde kan opnieuw gaan stromen. Doornroosje laat zien hoe oude pijn en schuld pas oplossen wanneer beide kanten worden gezien. Niet door vergeving, maar door bewustwording. Door te buigen voor het geheel. Het sprookje eindigt niet met straf of boete, maar met een bruiloft — het symbool van hereniging. Dader en slachtoffer, mannelijk en vrouwelijk, bewust en onbewust vinden elkaar opnieuw. En dan, pas dan, kan het leven weer verdergaan.

